Stipendium Bottelier

Het Stipendium Bottelier ondersteunt Nederlands plantenonderzoek in binnen- en buitenland. Deze beurs is bedoeld ter bevordering van de kennis in alle gebieden van de botanie van celbiologie tot ecologisch veldonderzoek.

 

Wat financieren we?

We financieren vooral kosten die studenten en promovendi maken voor hun onderzoek of stage, zoals reis- en verblijfkosten en aanschaf van materialen tot een bedrag van € 750. Bij de beoordeling selecteren we aanvragen voor ondersteuning in kosten die niet gemakkelijk door andere fondsen gesubsidieerd worden.

Voorwaarden
  1. Aanvrager is student of promoveert aan een Nederlandse universiteit. Je hoeft geen lid te zijn van de KNBV
  2. Bij je aanvraag stuur je een (samenvatting van) een onderzoeksplan mee
  3. Je geeft een presentatie over je onderzoek en noemt de KNBV
  4. Bewaar bonnetjes en/of houdt ritten bij. Op het moment van aanvragen heb je nog geen kosten gemaakt.
  5. Stuur ons een verslag.
Inzendtermijn

De inzendtermijnen zijn 1 maart en 1 oktober. Het bestuur besluit over toekenning en streeft ernaar om 1 maand later te laten weten of je in aanmerking komt voor het Stipendium.

Aanvragen

Download het aanvraagformulier. Stuur het ingevulde formulier naar  bottelier@knbv.eu Je kunt bij hem ook terecht voor meer informatie.

Download the application form (English). Please submit the completed form to bottelier@knbv.eu

Declareren

Ben je klaar met je onderzoek? Download het declaratieformulier

Finished your work? Declaration form Stipendium Bottelier

Andere fondsen

Voldoet je voorstel niet aan onze richtlijnen, dan kun je misschien terecht bij het Hugo de Vries Fonds.

Recent ondersteund onderzoek

Mario Martens – Succession beneath the canopy: How does the forest understory recover In tropical restoration plantings?

Wageningen University and Research

De Atherton Tablelands in Australië bezit waardevolle stukjes tropisch regenwoud, maar voor de rest is het een zeer gefragmenteerd landschap. Landeigenaren proberen hier het regenwoud te herstellen, maar doordat invasieve grassen en struiken de natuurlijke successie tegenhouden planten ze een grote diversiteit aan boomsoorten volgens de Framework Species Method.

In mijn onderzoek keek ik naar de ontwikkeling van deze diverse plantages van 0 tot 32 jaar na aanplant, met een focus op veranderingen in het microklimaat en soortensamenstelling van de ondergroei.   De aangeplante bomen groeiden snel en bufferden temperatuurextremen zoals oude bossen dat doen, al na 25 jaar. Het weghalen van de invasieve vegetatie in de eerste twee jaar zorgde ervoor dat die daarna nooit meer terugkwam, en in plaats daarvan werd de grond snel bedekt met bladeren en jonge bomen. Er was succesvolle natuurlijke regeneratie aanwezig, maar omdat er weinig nieuwe soorten de plots inkwamen, duidt dit op een tekort aan zaadverspreiding van buitenaf in de vroege herstelfase (0-30 jaar). Hierdoor verschoof de soortensamenstelling maar geleidelijk richting die van oude bossen. Toch laat deze actieve restauratiemethode snelle verbeteringen zien, waaronder herstel van de bosstructuur, microklimaat en zelfvoorzienende verjonging, en is het een veelbelovende methode om voormalige landbouwvelden te herbebossen.

Youri Witmer – Herbivoren op steeneik

Universiteit Leiden – Hortus botanicus

De afgelopen jaren zagen we opwarming van de aarde versnellen en weersextremen toenemen. Nederland krijgt steeds meer te maken met extreme droogte wat een voorbode kan zijn voor een transitie naar een mediterraans klimaat en waardoor inheemse soorten onder druk staan. In een natuurlijke situatie zou de ecologie met het klimaat mee migreren, echter overstijgt de snelheid van hedendaagse klimaatverandering de capaciteit van veel boomsoorten om hierin mee te bewegen.

Om biodiversiteit in Europa en Nederland te behouden, zou geassisteerde migratie hier een oplossing voor kunnen zijn. De Zuid-Europese steeneik (Quercus ilex) is voor Nederland een interessante soort vanwege de weerbaarheid tegen droogte en de belangrijke ecologische rol. Aangezien het introduceren van exoten risico’s met zich meebrengt en er weinig bekend was over de ecologische interacties van de steeneik in Nederland, hebben wij onderzocht welke invertebraten aangetroffen konden worden op de steeneik in Leiden en Noordwijk aan Zee.

Tijdens ons onderzoek hebben we in totaal 83 soorten invertebraten aangetroffen op de steeneik. Onder het aantal herbivoren vonden we een relatief hoog aantal generalisten en enkele specialisten. Onder deze specialisten zaten 3 soorten bladluizen die niet eerder in Nederland waren waargenomen. Deze soorten zijn afkomstig uit Zuid-Europa en hebben we via DNA-analyse kunnen identificeren. Onze resultaten laten zien dat de steeneik relatief snel integreert in het Nederlandse ecosysteem en hierbij ook de mogelijkheid biedt voor insecten uit Zuid-Europa om zich hier te vestigen.

Evelien Terwel – The only way is up: Drivers of non-native species’ dispersal patterns along trails acrossthe Scandic mountains

Universiteit Utrecht

The Scandic mountains in northern Sweden are home to a wide range of unique plants and animals living in diverse ecosystems. These ecosystems are increasingly disturbed by human activity, such as hikers on mountain trails. Hikers disturb the ground and can unknowingly transport plant seeds on their shoes and clothes, enabling them to disperse to higher elevations.

Climate warming further enhances this process. Lowland and invasive plant species are often limited by cold mountain temperatures, yet climate warming can allow species to expand their range. This study examines the effects of environmental variables, including temperature and rainfall, as well as human activity, on three non-native species: Achillea millefolium, Trifolium repens, and Trifolium pratense.

In the Abisko region of northern Sweden, we monitored the occurrence of these species along hiking trails using the standardized protocol of the Mountain Invasion Research Network (MIREN). Over a ten-year period, all three species were found to move upward along the trails. Achillea millefolium showed the highest number of occurrences and dispersed to higher elevations than the two Trifolium species.

We found that temperature was the most important predictor of species dispersal and establishment. However, dispersal patterns appear to be influenced by multiple interacting factors. Many climatically suitable areas remain uncolonized, likely due to low human activity. As climate warming continues, new areas may become suitable, but colonization may remain slow where human presence is limited.

Joep van den Heuvel – Using multivariate CT-DS to assess the relation between fruit availability and the spatiotemporal distribution of frugivores

Universiteit Utrecht

Tropische bossen verschaffen ons allerlei ecosysteemdiensten, zoals koolstofopslag, waterzuivering, en een vruchtbare bodem. Frugivoren, dieren die voornamelijk fruit eten, spelen een belangrijke rol in het in stand houden van deze ecosysteemdiensten door de bos-samenstelling te beïnvloeden via zaadverspreiding. Dit onderzoek richt zich op de relatie tussen de fruitbeschikbaarheid en de spatiële verspreiding van frugivoren in een tropisch regenwoud in Frans-Guyana. Hierbij was onderscheid gemaakt worden tussen verschillende typen bos. Het onderzoek maakte gebruik van camera trap distance sampling (CT-DS), een nieuwe methode om de afstand van een dier tot de camera te schatten. Hiermee konden detectiemodellen worden gemaakt waarmee de kans op het spotten van een dier op bepaalde afstanden kon worden bepaald. In deze modellen zijn naast de beschikbaarheid van fruit omgevingsfactoren als covariaten meegenomen worden om hun invloed op de verspreiding van frugivoren te beoordelen. Het uitvinden en begrijpen van de drijfveren achter de verspreiding van frugivoren kan helpen bij het ontwikkelen van strategieën voor habitatbehoud, het aanwijzen van beschermde gebieden en het bevorderen van duurzaam beheer van tropische bossen wereldwijd.

Jip Berkelder – Transplantation as a method for (meta)population restoration: An evaluation after a 12-year monitoring period of experimental re-introduction of Anacamptis morio in Zeeland

Wageningen University and Research

This study marks the conclusion of a long-running project that monitored experimental transplantations of the green-winged orchid (Anacamptis morio) to two new locations in Zeeland. Over a 12-year period, individual plants of this food-deceptive species were recorded within permanent quadrants. This resulted in a substantial dataset that allowed us to evaluate the overall “success” of the transplantation. Annual vegetation surveys were conducted alongside the monitoring. In addition, this year, we collected leaf material in the field to perform genetic analyses on both the donor population and the transplanted populations, supplemented with three reference populations from Texel, Hompelvoet, and Zuid-Limburg. The findings suggest promising prospects for the long-term persistence of the transplanted populations. The species’ limited sensitivity to inbreeding, positive population development and good reproductive success in recipient sites, indicate good population performance. Genetic results revealed only very minor bottlenecks post-transplantation. Together, these outcomes highlight that targeted re-introductions, when ecologically informed and followed by proper monitoring can prove to be an effective tool for (meta)population restoration.

Eka Cahyaningrum – Vanilla Undercover: Shade-tree Effect on Vanilla Yield in Madagascar

Wageningen University and Research

Vanilla is one of the agroforestry commodities that are relatively tolerant of tree canopy. Unlike some other agroforestry commodities, such as coffee and cocoa, which require an open canopy, vanilla can grow under increasingly dense canopy. Research by Martin et al. (2021) states that canopy cover shade tree growth is relatively neutral to yield, thereby potentially supporting forest regeneration. However, there are still gaps in our knowledge, particularly regarding changes over time and the influence of shade tree management. This study was conducted to address these gaps and better understand how vanilla agroforestry contributes to forest restoration. The study aims to evaluate the relationship between vanilla yield, canopy cover, canopy height, planting density, and land-use history in Madagascar’s vanilla agroforestry. It will use a time-series approach and use the study by Martin et al. (2021) as the baseline. Data collection will be conducted from September to December 2025 in 10 villages in the SAVA Region in northeastern Madagascar. Parameters measured include canopy cover size, shade tree height and nativeness, agroforest size and age, planting density, and vanilla yield. Statistical analysis and comparison with relevant literature will be conducted to support subsequent reports or thesis writing.

2012

Luipaarden en Vegetatie

Martine Kalisvaart en Timon Pieck gingen naar Zuid-Afrika. Met het Stipendium Bottelier deden zij onderzoek naar de relatie tussen vegetatie en luipaarden.

2011

Reconciling higher cacao productivity with forest biodiversity conservation: what are the opportunities and management implications?

André van den Beld is in Ghana (en Congo) geweest voor een onderzoek naar biodiversiteitsvriendelijke manieren om cacao te produceren.

The impact of elevated atmospheric nitrogen deposition on biological N-fixation in boreal peatlands

Jacqueline Popma was in de VS en Canada om onderzoek te doen naar stikstofdepositie in venen.